In de notulen van de vergadering van kerkvoogden en notabelen d.d. 26 september 1940 wordt gesproken over een mogelijke oprichting van een kerkkoor. Ruim een jaar later wordt er melding gemaakt van een kerkdienst waarbij “het kerkkoor” medewerking zal verlenen. De juiste datum echter van de oprichting ontbreekt helaas, al kunnen we aannemen dat dit in ’t begin van 1941 is geweest. Vooral mag met name genoemd worden Ds. S. Postma, die zich in ’t bijzonder beijverd heeft voor de koorzang. Als Directeur trad aanvankelijk op meester L. Bootsma, die na een paar jaar werd opgevolgd door Mej. M. Wielenga. Het koor maakte in de beginjaren wel een bloeiperiode door, ook al mede door de tijdsomstandigheden, het ledenaantal bedroeg ± 40.
Na Mej. Wielenga hebben respectievelijk de heren v/d Veen uit Dongjum, meester Faber en meester Baarda het koor geleid, tot men in 1947 beslag wist te leggen op de kundige zangpedagoog de Heer E.D. Looyenga uit Franeker.
Jammer was, dat de belangstelling voor de koorzang vrij snel terugliep. In 1950 was er, van de eens 40 leden tellende koor maar de helft meer overgebleven. Toch hield men dapper vol, en al liep dan het ledenaantal terug, de kwaliteit van de zang werd door de leiding van de Heer Looyenga zeker opgevoerd.
In de jaren ’53-’54 bereikte men, wat het ledenaantal betreft misschien wel een dieptepunt ± 15! maar desondanks besloot men in 1954 toe te treden tot de Bond van Zangkoren en uit te komen op het Zangconcours, gehouden te Beetsterzwaag op 20 Juni. Het koortje, tot nu toe naamloos, want kerkkoor was ’t ook niet meer, kreeg bij deze gelegenheid de wel bijzonder toepasselijke naam “Lyts mar Krigel” Dat concours werd een groot succes.
Men kwam uit in de 4e afdeling. Als verplicht nummer werd Jounklokje van Molenaar gezongen en als vrij nummer Avondgebed van Hoogslag. De prestaties werden beloond met een 1e prijs met in totaal 287½ punt. Hiermee had men veruit het hoogste aantal punten en bovendien werd de medaille voor de beste uitspraak van ’t Frysk ook aan onze vereniging toegekend. Tevens kreeg men het recht een volgend jaar in een hogere afdeling uit te komen, al met al zeker een prestatie die genoemd mag worden en die laat uitkomen dat het peil van het zangkoor toch redelijk voldoende is te noemen. Wanneer het koortje kans ziet, dergelijke prestaties te herhalen, dan wordt er misschien weer wat animo voor de koorzang bij de dorpsgenoten opgewekt, wat zich dan wellicht openbaart in een toename van het aantal leden, wat toch eigenlijk wel nodig is, wil het koor blijven bestaan.