Ferhalen út Rie

Uitvaartvereniging Ried bestaat 75 jaar

Van burenplicht naar begrafenisvereniging. Op 15 december 1938 kwamen 55 hoofden van gezinnen en twee van de drie buurtmeesters in de consistorie van de kerk bijeen. Er was een vergadering belegd omdat onder de hoofden van vele gezinnen en de verschillende buurten een verlangen was gekomen tot het oprichten van een begrafenisvereniging. De oude burenplicht daterend uit het jaar 1868 voldeed niet meer. Het reglement van deze burenplicht bevatte 48 artikels, waarin verwezen werd naar de zware verplichting die op ieders dorpshoofd lag om bij ziekte en overlijden in een gezin gratis hulp te verlenen. Ook schafte de jongere generatie niet meer allemaal zwarte kleding en een hoge hoed aan. Daarom was de tijd voor verandering gekomen en wel met een vereniging met vaste dragers. Het vervolg van deze eerste bijeenkomst vond plaats op 6 januari 1939, toen ‘s avonds 53 personen naar het dorpshuis (de barak die jarenlang achter de leugenbank stond) kwamen om het nieuwe reglement door te nemen en bestuursleden aan te stellen. De hoofdregels uit het reglement bestonden (en bestaan nog steeds) om op vrijwillige basis hulp te bieden op het gebied van de uitvaart en de overledene op waardige wijze naar zijn/haar laatste rustplaats te brengen. Het eerste bestuur werd als volgt samengesteld: Simon van Wijk voorzitter, Arend Terpstra secretaris, meester Kingma penningmeester en Romke van der Wal en Hendrik Rijpma bijzittend lid. Daarna moest er “personeel” aangewezen worden. Johannes Siderius stelde zich beschikbaar als bode. Hij zou bij de deuren langs om leden te werven, wat 123 inschrijvingen opleverde. Verder volgde op de eerste vergadering de benoeming van klokluider, dragers, doodgraver en afleggers (voor de mannen) en aflegsters (voor de vrouwen). Om de tijd die zij vrij moesten nemen van hun werk te compenseren, kregen de vrijwilligers een (kleine) vergoeding. Bode Siderius was het niet helemaal eens met de vergoeding die hij kreeg voor het ophalen van de contributie, het loon per begrafenis en een vergoeding voor een nette zwarte jas. Hij nam al na een jaar ontslag, waarna reserve bode Germ (Gerben) van Althuis hem opvolgde. Hij heeft zijn taak ook niet lang vervult, want na ziekte overleed hij in 1943. Reserve bode Theunis Steinfort zette zijn werk voort.

De kerk met rechts de consistorie en links het baar hokje, waar materialen nodig voor het graf delven en begraven worden opgeslagen.

 

In het jaar 1940 was de invloed van de oorlog al merkbaar: de klokken mochten niet meer luiden bij de rondgang. In plaats daarvan liet men het orgel spelen. Het werd nog erger: in 1944 zouden beide klokken door de Duitse bezetters uit de toren worden gehaald om ze om te smelten tot kogels of ander oorlogstuig. Ook kwam er een verordening dat een overledene niet meer per auto vervoerd mocht worden maar met paard en wagen. Nu was dit in ons dorp niet aan de orde, behalve als iemand in

het ziekenhuis was overleden. Het laatste oorlogsjaar kon geen ledenvergadering gehouden worden wegens de gespannen toestand en het vergaderverbod. Na de oorlog is alleen de grote klok van de kerk teruggevonden. In december 1947 kwam deze weer in de toren te hangen. Helaas moeten we het sinds de oorlog zonder de kleine klok doen, deze is niet meer boven water gekomen. Een van de taken van de bode was het “leed aanzeggen”, het melden aan de leden dat iemand was overleden. Uit de vergadering van februari 1951 blijkt dat de bode de ver afgelegen leden soms per fiets aanzegde, wat niet de bedoeling was. Maar moest die beste man dan alles lopend doen? Bode Jan Dijkstra, die dan 3 jaar in functie is, vraagt in de vergadering in 1957 of het aanzeggen nog wel zin heeft. Het neemt veel tijd in beslag en tegen de tijd dat hij langskomt is iedereen allang op de hoogte. Het bestuur moest hier nog wel een jaar over nadenken, maar besloot toen om het aanzeggen op te heffen. Eind jaren ’80 komt de vraag of de klok kan luiden wanneer iemand overleden is. Dit zou een mooie vervanging zijn van het “leed aanzeggen”. Gekozen werd voor het luiden van de klok om 17.00 uur op de dag van overlijden of de eerstvolgende dag. Door de toename van crematies ontstond de vraag naar een columbarium, een urnenmuur. Dit zou dan samen met de kerkvoogdij moeten gebeuren, maar tot op heden komt dit in ons kleine dorp nog niet van de grond. Rond 1980 onderging de kerk een grondige restauratie en ook het baarhokje kreeg een opknapbeurt. Dit hield in dat alle materialen die voor een begrafenis nodig zijn tijdelijk elders moesten worden opgeslagen. In de rondvraag van de ledenvergadering in 1984 kwam de vraag waar de baar toch was gebleven? Bleek dat deze dienst deed als afscheiding in een schapenhok.... In 1984 werd de naam veranderd in “Uitvaarvereniging Ried en omstreken”. Sinds 1997 heeft de vereniging alle taken rond een begrafenis in professionele handen gegeven en een bode van buitenaf aangetrokken. Het 75-jarig jubileum in 2014 werd herdacht met een bijzondere lezing en tentoonstelling over begrafenisrituelen. Op 31 augustus 2022 is de Uitvaartvereniging Ried opgeheven.

De krakeling, ze werden vaak gegeten bij een begrafenis. Het kenmerkende gebak zonder begin en einde symboliseert de overgang van het aardse naar het hemelse bestaan.