Ferhalen út Rie

In de smederij (1947) door Henk Sloots

Bij het opruimen van de zolder kwam ik een oud verkoopboek tegen van de smederij, uit de jaren vlak na de oorlog. Voor wie het niet weet: ik ben de zoon van de smid en opgegroeid in het pand van de oude smederij, wat nu Riedex is. Mijn vader werd direct na de oorlog compagnon van de toenmalige smid Frans de Vries. Na een paar jaar ging hij alleen door. Alles wat de smid deed werd per klant in dat boek genoteerd en 1 keer per jaar (later 2 keer) werden daarvan de rekeningen uitgeschreven. Zo ’n beetje iedereen in het dorp, vooral de boeren, maar ook particulieren, maakte gebruik van de diensten van de smid en het verkoopboek geeft dan ook een aardig inkijkje in het dagelijkse leven van toen. 

De boeren bezorgden de smid veruit het meeste werk. En dat waren er destijds veel meer dan heden ten dage. Inclusief Klooster Anjum en Boer telde ik in het boek zo’n 18 namen van boeren en verder nog een twaalftal gardeniers. Het werk op het land werd nog volledig gedaan met paardenkracht en een belangrijk deel van het smidswerk betrof dan ook het beslaan van paarden. Ik herinner me dat nog goed uit mijn jonge jaren. Bij goed weer gebeurde dat voor de smederij en bij slecht weer binnen. De hele smederij hing dan vol met stinkende rook, als een gloeiend hoefijzer te pas werd gebrand. Er werd goed op de kleintjes gelet. Niet iedere keer als een paard bij de smid kwam werden de ijzers vernieuwd, nee, meestal werden de hoeven bijgewerkt, zodat de oude ijzers weer pasten. IJzers verleggen heette dat. Pas als het niet anders kon werd een paard op vier nieuwe ijzers gezet en dat kostte dan 9 gulden. 

De grote boeren liepen de deur plat van de smederij. Zo turfde ik dat Piet de Jong (de pake van Bauke en Ele) tussen 1 juli 1946 en 1 juli 1947, in een jaar tijd dus, in totaal 139 keer de smid nodig had. De duurste post was een bedrag van 38 gulden voor een nieuwe ijzeren deur voor de “spekkast” en de goedkoopste een bedrag van 30 cent in de koude februarimaand van 1947 voor 18 stuks “klompscherp” , speciale spijkers voor onder de klompen voor op het ijs. 

 

Lezend in het boek komen vele vaak al lang vergeten agrarische benodigdheden voorbij. 

Een willekeurige greep: bietenlichters, enkele en dubbele silen (wel of niet met spoorstokken), stalschuivers, landrollen, wielhoepen, zeisbomen, strijkels, mestslechtvorken, bieten- en tarweschoffels en rietsnijders

Tractoren schitteren door afwezigheid, kennelijk waren die er meteen na de oorlog nog niet in Ried. Het enige “moderne” landbouwwerktuig dat ik tegenkwam was een zelfbinder, een door paarden getrokken machine die het graan afmaaide en tot schoven bond. 

Een van de grootste klanten was de ZPC, gevestigd in de oude zuivelfabriek, schuin tegenover de smederij. Het werk hier bestond vooral uit het onderhouden en repareren van de installaties voor het verwerken van zaai- en pootgoed, die hier stonden opgesteld. 

 

Naast het werk voor de landbouw werd de smid ook vaak voor klussen in huis ingeschakeld, zoals het aanleggen van waterleiding. In de herfst moesten her en der de kachels weer worden geplaatst en met kachelkit worden aangesmeerd. In de winter werden schaatsen geslepen en als het hard vroor kwam de smid om de waterleiding te ontdooien. Eigenlijk was de smid een soort manusje van alles in een tijd dat doe-het-zelven nog niet was ingeburgerd. Zo moest hij op 20 augustus 1946 naar Oane Wiebes van der Ploeg om daar een mes uit de gootsteenafvoer te verwijderen. Dominee Scheepstra kampte midden in de elfstedenwinter van 1947 met een lekke bedkruik, maar gelukkig kon die gesoldeerd worden. Bij Jan Bantema in het café moest na de merke de bierkraan worden hersteld. Je kon een nieuwe jilt op je schoffel, houwer of bats laten zetten, een zeelt op je emmer of een nieuwe bjirk op je zeis en al dat handgereedschap kon je natuurlijk ook laten scherpen. Brak het oortje van de petroleumkan, dan kon je dat voor 30 cent weer laten vastsolderen. Maar je kon ook een nieuwe ijzeren ring om het wiel van je kruiwagen laten maken, of, zoals in het geval van vrachtrijder Tjerk IJsselstein, de gebroken slinger van je auto laten lassen. 

Sjoerd Bronger kwam in juli 1946 langs om de autoped van zijn kinderen te laten maken en om tegelijk ook een stukje tussen de boom van zijn zeis te laten lassen. De rekening hiervoor bedroeg fl. 1,25. 

 

Alles voor de fiets was ook te verkrijgen. 

W. Pols liet een nieuwe “Gelria” rijwiellamp met toebehoren monteren voor fl. 14,25, Pieter Draaisma kocht voor fl. 5,50 een nieuw dameszadel en Teake Donia een gebruikte fietsbel voor 75 cent. 

Verder kon je bij de smid batterijen kopen, of flessengas, potten en pannen, schaatsen en wat al niet. Online shoppen en de Blokker bestonden nog niet, maar dat was ook helemaal niet nodig. Dat de wegwerpmaatschappij zijn intrede nog moest doen in de jaren zo vlak na de oorlog wordt al bladerend heel erg duidelijk, veel werkzaamheden betreffen namelijk reparaties. Een gat in een emmer of in de baksaker werd gesoldeerd en over een kapotte klomp kwam à raison van 15 cent een kram. 

Echter, met de toename van de welvaart begon dat soort werk op te drogen en toen in de zestiger jaren ook het werk voor de boeren minder werd, was er voor een dorpssmid geen bestaan meer mogelijk. In veel dorpen verdween die dan ook. Broer Boonstra in Peins en Oege Brinksma in Dongjum, collega’s van mijn vader, waren daar de laatsten. Andere smeden gingen verder als landbouwmechanisatiebedrijf. Die weg is mijn vader aanvankelijk ook ingeslagen. In de zestiger jaren was hij een tijdlang dealer voor Deutz trekkers. Maar in de machinehandel lag niet zijn hart. Hij wilde liever dingen maken en zo is uiteindelijk rond 1970 de fabricage van afzuiginstallaties begonnen.

Bij goed weer werden de paarden buiten, voor de smederij beslagen. Harm van der Ploeg houdt het paard vast.