Een bizar, maar waargebeurd verhaal. Wat voor sinisters heeft er zich in het najaar van 1891 afgespeeld in de pastorie van Ried? Zo sinister dat het twee jonge vrouwen de dood in heeft gejaagd? Dat is het onderwerp van dit verhaal.
In 1878 krijgt Ried een nieuwe dominee. Het is de dan 38-jarige Jan Schönfeld, zelf de zoon van een dominee en van Groningse afkomst. Hij is getrouwd met de eveneens Groningse Fenna de Muinck, die ook al uit een geslacht van dominees stamt. Zijn vorige standplaats was Windesheim bij Zwolle. Hij wordt op 7 april van dat jaar in de kerk van Ried bevestigd door zijn vader, de predikant Jan Frederik Schönfeld uit Bellingwolde. De preek van de nieuwe dominee heeft als thema I Joh. IV: 7a “Laat ons malkander lieĬebben”. In het kader van wat er volgt is dat een nogal cynisch gegeven. Het echtpaar brengt een jong gezin mee naar Ried. Ze hebben namelijk vier kinderen en de vijfde is op komst. De twee oudste kinderen zijn meisjes, Yke van negen en Clara van zes. De jongste twee zijn jongens: Menzo (4) en de naar zijn opa genoemde Jan Frederik van net een jaar. Het gezin neemt zijn intrek in de pastorie, waar later dat jaar zoon Anthony wordt geboren en in 1881 volgt zoon Johan. De kinderen gaan in Ried naar de lagere school en maken onderdeel uit van het dorpsleven. Als er in december 1882 hardrijden is, valt Clara in de prijzen, zo leert ons een leuk berichtje in de Leeuwarder Courant:

In 1885 wordt er in het gezin Schönfeld nog een nakomertje geboren: Karel Diederik.
Zoals het gaat in dat milieu worden de jongens klaargestoomd om later aan de universiteit te gaan studeren, terwijl voor de meisjes alvast wordt uitgekeken naar een geschikte huwelijkskandidaat, die liefst fkomstig moet zijn uit gegoede burgerkringen.
Een groot leed treft de familie in 1894 als oudste dochter Yke overlijdt, 24 jaar oud. Als haar vriend, een zekere Justus van de Stadt, helemaal in Zierikzee, het bericht ontvangt, laat hij een advertetie plaatsen:

Kort daarvoor is een broer van Justus, die Johan heet, in het huwelijk getreden met Clara. Dat gebeurt “met de handschoen”, want terwijl Clara nog thuis woont, zit Johan in Nederlands Indië. Na de huwelijks-voltrekking vertrekt ook Clara naar Indië, naar Medan op Sumatra om precies te zijn. Ook haar is geen lang leven beschoren, want in 1906 zal ze daar overlijden. Maar nu terug naar het jaar 1891. Schönfeld, 51 inmiddels, is dan dertien jaar dominee in Ried. Het huishouden in de pastorie, dat dan nog niet het huidige pand is, maar de voorganger daarvan, wordt natuurlijk niet door mevrouw Schönfeld zelf gedaan, maar door een dienstbode. Dat is de 22-jarige Wijbigje Boomsma uit Berlikum, de dochter van een landarbeider. Waarschijnlijk is ze er in de kost en heeft ze haar eigen kamertje op de zolder van het huis, de oude pastorie, die qua bouwstijl vergelijkbaar is met de oude school-woning, die nu onderdeel is van De Rede. Tot zover niets bijzonders, een toentertijd heel normale situatie. Maar dan gebeurt er in de herfst van 1891 iets tragisch. Op zondagavond 8 november is Wijbigje plotseling verdwenen. De volgende ochtend wordt ze levenloos gevonden in de gracht voor de pastorieplaats aan de Vitus Ringers-straat. Oudere Riedsters zullen zich nog wel herinneren dat die destijds voor deze grote stelpboerderij langs liep. Ergens in de tachtiger jaren is hij, meen ik, gedempt. Het lijkt op zelfmoord. Niemand begrijpt het. De Leeuwarder Courant schrijft: “Men kon met geen mogelijkheid bedenken wat de oorzaak zou kunnen wezen van dit droevig geval. Zij was uitstekend in haar werk en onbesproken in haar leven, opgeruimd van humeur en bemind bij hare huisgenooten. Men kon niet denken, dat zij uit wanhoop of verdriet in de gracht zou springen, men kon ook niet denken dat iemand zoo snood van bestaan zou zijn om haar er in te werpen.” Een triest verhaal, maar zulke dingen gebeuren helaas. Het leven moet