Bij doop- en huwelijksdiensten werd er meer gegeven. Dan werd er ook gedoneerd in de armenschotel, die was blijven bestaan. Tijdens de avondmaalsvieringen, kerkelijke hoogtijdagen die zo’n twee keer per jaar werden gehouden, was de offerande een stuk hoger, vaak wel meer dan tien gulden. Daar stond dan wel tegenover dat de diaconie het benodigde brood en de wijn diende te betalen. Dat brood moest witbrood zijn. De Riedster bakker leverde alleen roggebrood, het volksvoedsel van die tijd, dus werd het, net als de wijn, gekocht bij een koopman in Franeker.
De wijn was in het begin vaak ‘bastert’, een zoete wijn gemaakt van gedroogde druiven. Later drinkt men zoete Spaanse wijn bij het Heilig Avondmaal, aldus de rekeningen. Als er onroerend goed werd verkocht, was het de gewoonte dat de koper van de koopsom een paar goudstukken afdroeg aan de diaconie. Dat gebeurde niet zo vaak, maar per keer was het toch een aardig bedragje. Zo kreeg de diaconie bij de verkoop van de boerenplaats van de weduwe van Sybren Douwes 4 goudguldens geschonken.
Waar werd het ingezamelde geld aan besteed? In de eerste jaren zijn het vooral kleine giften aan behoeftigen, niet alleen uit Ried, maar heel vaak ook van buiten. De ligging van het dorp aan de doorgaande landroute van Harlingen en Franeker naar Leeuwarden, maakte dat er veel doortrekkend volk door het dorp het kwam. Meestal meldden ze zich bij de pastorie, tegenover de kerk, met een zielig verhaal, waarop de dominee ze doorverwees naar de diaken voor een paar stuivers.
Een kleine bloemlezing uit de diverse ontvangers: “een arm gebroocken man”, “een arme ellendige vrou”, “een op ’t uyterste groot gaande vrou” (hoogzwanger), “een Schotse vrou”, “een Yrse vrou” (uit Ierland) “een postulant” (iemand die een religieuze leefwijze nastreeft en daardoor niet in zijn levensonderhoud kan voorzien), “een sgamel persoon” en zelfs “een verdreven edelman uit Poollen of Russlant (so hy seyde)”. En verschillende keren betreft het vrouwen die geld inzamelen om hun man vrij te kopen, die gevangen wordt gehouden in “Turckijen”.
Er kwamen ook wel mensen langs die collecteerden voor een ander, zoals een zekere Pijtter Jans, helemaal uit Hoorn in Holland, die geld ophaalde voor zijn zuster, die haar huis met alles erin door brand was kwijtgeraakt. Een brief van de stad Hoorn kon hij overleggen als aanbeveling. Ook voor de bouw van nieuwe kerken werd op die manier geld ingezameld. Ik kwam giften tegen voor kerkbouw in onder andere De Knipe, Gorredijk (Gorreveen genaamd) en het Noordhollandse Zijpe.
Het was de tijd van de eerste Engelse oorlog (1652-1654), die geheel en al op zee werd uitgevochten en die de staatskas eigenlijk niet kon dragen. Veel giften betreffen dan ook “arme bootsgesellen”, zoals twee man die “van de Engelsche geplondert huysgetoogen waren ende de een in sijn been gequetst was”. Een lotgenoot, die “op ’t schip Seven Wolden gevaren hadde”, kreeg vier stuivers. De Sevenwolden was een oorlogsschip van de Friese Admiraliteit.
Men zal dus in Ried vast wel het nodige van die oorlog hebben meegekregen. Met Pasen van het jaar 1654 krijgen de drie weduwen die Ried telt, ieder een paaswegge. Weduwe Lysbet Watses wordt verder ondersteund met ”twe farndel boonen off griemanck” om de winter door te komen. Een farndel is een oude inhoudsmaat en grienmank is een mengsel van erwten en bonen, dat ook als zodanig werd gezaaid en geoogst.
In het eerste boekjaar, dat loopt tot 1 mei 1655, bedragen de totale inkomsten 175 gulden. Daar staan 37 gulden aan uitgaven tegenover. Er is dus meteen sprake van een aardig positief saldo en dat zal in de komende jaren alleen nog maar toenemen. Een deel van de in de loop van de tijd opgebouwde reserve wordt omgezet in landschapsobligaties (staatsleningen, zeg maar) en er worden ook leningen verstrekt aan Riedster ingezetenen, zodat er voortaan ook rente-inkomsten ingeboekt kunnen worden.
Banken om geld van te lenen had je toen nog niet, vermogende particulieren fungeerden als geldschieters. Een gangbaar rentepercentage was rond de vijf procent. Maar kerken, al of niet met de reserves van de Diaconieën, gingen daarin ook een maatschappelijke rol vervullen. Als smid Simen Haaijes in 1666 de toen al bestaande smederij (het pand Hoofdstraat 17, nu Riedex) wil verbouwen, leent hij daarvoor 420 gulden van de kerk, tegen een rente van 4,5 %. Een nieuwe vaste inkomstenbron was het onroerend goed.
De diaconie bezat een aantal huizen in Ried, in eerste instantie aangekocht met de opbrengst van de collectes in de kerk. Die huizen werden verhuurd. Ze waren niet bestemd voor het huisvesten van arme lieden. Die werden als kostgangers bij mensen thuis ondergebracht, in ruil voor kostgeld. Nee, het waren goedkope huurwoningen voor Riedsters, die zelf de kost bij elkaar konden scharrelen. Deels was het een belegging van de financiële reserves en deels was het een vroege vorm van sociale woningbouw.
De noordkant van het kerkhof is pas sinds 1980 in gebruik voor begraven. Daarvoor was het daar lange tijd leeg, maar tot halverwege de negentiende eeuw stond er een eenvoudige, dubbele woning, ook van de diaconie. Dit huis was in de zeventiende eeuw eigendom van de adellijke familie Van Sixma, de bewoners van Groot Anema (gelegen aan de zuidkant van de Berlikumerweg). Het was een onroerend goedbelegging, bedoeld om rendement mee te behalen, iets wat de rijke aristocratie in die tijd veel deed.
Het pand was door een muur in het midden in twee afzonderlijke woongedeelten gesplitst en aan weerskanten stond nog een houten hok. Het dak was met stro gedekt. Dat weten we omdat in de rekeningen regelmatig posten voor dit huis voorkomen voor de aankoop van ‘sluik’, zoals men dakstro toen noemde. De indeling bestond uit slechts één ruimte, daarom werden dit soort woningen ‘camers’ genoemd. Hooguit was er bij de deur een klein portaaltje met een trap naar de zolder, die overigens niet voor bewoning geschikt was. In het woonvertrek was een bedstedewand, waarin men sliep. Daaronder was een kelder. Een haardplaats diende voor verwarming en daar werd ook het eten bereid. In de hokken zal wel een privaat zijn geweest en water haalde men uit de nog altijd aanwezige regenwaterbak aan de oostkant van de kerk. Toen rond 1680 de familie Van Sixma de band met Ried verloor, door de teloorgang van Groot Anema, heeft een van de laatste telgen, de in 1636 in Ried geboren Agge van Sixma, dit huis aan de diaconie geschonken. De diaconie bezat meer van dit soort ‘camers’.
Het huis van Bart en Anja aan het Kerkpad was ook zo’n dubbele woning en aan de Anemareed, tegen de ijsbaan, stond een vierkamerwoning, het ‘Langhuis’ genaamd. Op oude foto’s is het nog te zien. Ze werden verhuurd voor rond de twintig gulden per jaar. De diaconie was ook eigenaar van het schippershuis, dat tot in de zestiger jaren van de vorige eeuw aan het eind van de Opslach, de dorpsopvaart, stond, pal tegen de noordkant van het huis van Elisabeth Mees. Hier woonde de beurtschipper van Ried. Hij was de DHL van zijn tijd, met vaste beurtvaart op Franeker en Leeuwarden.
In 1755 liet de diaconie dit huis nieuw bouwen. Mogelijk stond er daarvoor ook al een huis voor een schipper, want al in de zeventiende eeuw is er in de rekeningboeken sprake van een Riedster ‘veerschip’. Ook de opvaart wordt dan al genoemd, al heet die dan de ‘Bjusse’. Hoe belangrijk deze service voor het dorp was, blijkt wel uit het feit dat de diaconie in de achttiende eeuw zelfs een tijdlang ook de eigenaar van het beurtschip was. Huis en schip deden toen een jaarlijkse huur van 70 gulden.
Dan was er nog het ‘Hooghuis’, zo genoemd naar zijn hoge topgevel op de noordkant. Het stond aan de zuidzijde van de Hoofdstraat, waar nu het huis nummer 12 is. Voordat de diaconie het in bezit kreeg, was het een herberg geweest. Het Hooghuis had een bijzonderheid, een ‘duvemat’. In de hoge topgevel zaten duivengaten. Op de verder niet gebruikte zolder was van gevlochten twijgen (matten) een soort kooiconstructie gemaakt, waarin de duiven woonden. Dit was niet voor liefhebberij. In het voorjaar werden de jonge duiven gevangen, om te worden verkocht. Een gebraden duif was een feestmaal. Ook de duivenmest werd verzameld en verkocht. Dat was bijvoorbeeld in 1730 een klusje voor smid Oepke Reinders. De boeken vermelden in dat jaar: ‘ontfangen van jonge duiven en dong van de Duivenmatte op ’t Hooge Huis 6 gulden, één stuiver en 2 duiten.’ Toch weer een mooie instrooier voor de diaconie. Oepke Reinders kreeg acht stuivers vergoeding.
Naast vaste, jaarlijkse inkomsten waren er ook incidentele ontvangsten. Een heel apart vervalletje was er in 1706. Ried zag in vroeger jaren, voor de komst van de straatweg tussen Franeker en Leeuwarden, veel reizigers door het dorp komen. Het doorgaand verkeer tussen beide steden liep via Dongjum, Ried, Berlikum enzovoort. Een van die reizigers kreeg in april van genoemd jaar in Ried vette pech. Zijn paard viel op de weg dood neer. Een total loss, om zo te zeggen. De diaconieboeken vermelden dat hij zijn gestorven viervoeter ter plekke ‘vereerde’ aan de diaconie. De diaken vond daarop twee Riedsters bereid om het dier voor de helft van de opbrengst te villen, zodat het vel en de hoefijzers te gelde konden worden gemaakt. Het vel leverde een gulden op en de hoefijzers 2 stuivers, waarvan dus de helft voor de Riedster armen en de andere helft voor de twee gelegenheids-paardenvillers, zo is genoteerd in de rekening van dat jaar.
Alles opgeteld beurde de diaconie in een gemiddeld jaar zo’n vijfhonderd gulden in, dat grofweg voor de helft opging aan kosten voor het onderhoud van het huizenbezit. De timmerman, de smid en de schilder van het dorp hadden aan de diaconie een vaste klant. De andere helft van de diaconie-inkomsten werd daadwerkelijk besteed aan behoeftige personen, waaronder de eerder al genoemde incidentele “voorbijgangers”, maar toch hoofdzakelijk aan eigen inwoners.
Wat betreft die ondersteuning van de Riedster behoeftigen ging het niet om grote aantallen mensen. Gemiddeld waren er maar een of twee personen tegelijk afhankelijk van de diaconie, de gealimenteerden, zoals ze werden genoemd. Vaak waren het oude weduwvrouwen, die ziekelijk waren en niet meer in staat om te werken. Ze kregen weekgeld en werden voor zover nodig voorzien van eten, kleding en turf. Het eten bestond uit boter, roggebrood en, voor de opkomst van de aardappel later in de achttiende eeuw, verschillende soorten bonen en erwten. Als het mannen betrof kregen ze ook scheergeld (een van de talrijke bijbaantjes van de schoolmeester was dat van scheerbaas) en werd er geregeld dat een vrouw uit het dorp hun was deed en de boel schoon hield.
Omdat de meeste gealimenteerden al oud waren, komt hun naam hooguit enkele jaren in de rekeningen voor, alvorens te eindigen met de kosten voor hun begrafenis. Eventuele bezittingen, zoals huisraad en kleding, werden na overlijden bij opbod verkocht, waarbij de opbrengst verviel aan de diaconie. Over een bijzonder geval, dat van de gealimenteerde Jan Taekes, die maar liefst 26 jaar door de diaconie werd onderhouden, gaat het in een volgend verhaal.