Riedster Tichelwurk 1.
April 2016

100 jaar terug opheffing van het Riedster tichelwurk

Het zijn de Romeinse garnizoenen geweest die kort na het begin van de jaartelling de baksteen in ons land introduceerden. Na de val van het Romeinse rijk en de terugtrekking van de Romeinse legers, is de techniek om uit klei stenen te bakken echter weer snel verloren gegaan. Pas met de komst van de eerste kloosterorden naar ons land in de twaalfde eeuw, werd de baksteen opnieuw geïntroduceerd. 
Vervolgens heeft het nog vele eeuwen geduurd voor hij hier algemene toepassing vond. Toch groeide de baksteen bij gebrek aan natuursteen uiteindelijk uit tot een typisch Nederlands product. In de tweede helft van de 19e eeuw maakte de baksteenindustrie een snelle groei door en werden er heel wat steenfabrieken opgericht. De vestiging van een tichelwurk bevond zich altijd aan het water en met de aanwezigheid van de grondstof klei in de buurt.

In januari 1857 ging in Ried een tichelwurk(steenfabriek) van start op een strook land waar tegenwoordig de Nieuweweg ligt. Aan de oostkant liep een brede sloot waar de pramen aanlagen om de klei te lossen. Deze klei kwam in eerste instantie uit de buurt van Ried. Aan de oevers van de Riedstroom had zich in vroegere jaren klei afgezet die zeer gunstig was voor de steenfabricage. Nog steeds is te zien dat het land aan weerszijden van it Wiid is “afgeticheld”, het afgraven van de bovenste laag klei voor de steenfabricage. Vandaar dat de percelen waar het bos op is geplant, de Lageweg en de ijsbaan en ook het land aan de noordkant van het Wiid dieper liggen. Later werd klei aangevoerd met een viertal pramen uit het midden van Friesland (o.a. Spannum en Hitzum) en ook uit St.Anne, Zwarte Haan en Harlingen.
Oprichters van het Riedster tichelwurk waren de broers Meine en Gerrit v.d. Berg, zoons van het voormalige schoolhoofd Pieter Meines van den Berg. Meine, in 1845 getrouwd met Dirkje Tjessinga uit Minnertsga (wat ook hun woonplaats werd), was zaakwaarnemer, taxateur en handelaar. Nog geen 2 jaar na het opzetten van het Tichelwurk is Meine overleden. Zijn jongere broer Gerrit  trouwde op 13 mei 1859 met Grietje Joukes Hibma. Ze vestigden zich in de hoofdwoning van het pand aan het eind van de Zevenhuisterweg, welke toen nog een boerderijfunctie had. Als steenfabrikant had Gerrit v.d. Berg net als zijn vader verscheidene nevenfuncties. Zo werd hij in 1881 voorgedragen voor ontvanger bij het waterschap der Vijf Deelen Zeedijken Binnendijks, was ontvanger voor de gemeente Franekeradeel en secretaris van de IJsclub. Ook handelde hij in verschillende landbouwproducten.
Foto vanuit de kerktoren met rechts de Berlikumerweg, op de voorgrond de schoorsteen van de zuivelfabriek met daarachter de haaghutten van het tichelwurk.
Op het Riedster tichelwerk werden grauwe, rode en gele '3-ling-stenen' gebakken. De rode stenen werden lang niet op elk tichelwurk gebakken, maar was in Ried mogelijk dankzij het soort klei dat werd aangevoerd. Rode stenen hadden een betere kwaliteit en waren dus duurder dan de gebruikelijke gele stenen, die doorgaans werden gebruikt voor de bouw van huizen. Aan de Berlikumerweg en Zevenhuisterweg zie je veel huizen waarvan de voorkant in rode steen is opgemetseld en de rest van gewone geeltjes is.
De bedrijvigheid op het tichelwurk was seizoensgebonden en bood  van april tot september aan veel mensen uit het dorp een goeie werkgelegenheid. In de zomer waren er soms meer dan 20 man aan het werk, in de winter alleen de 7 vaste krachten. Naast deze 20 man werkten er nog een stuk of 12 vrouwen, terwijl men er ook nog jongens van 12 jaar en ouder kon vinden. Bij zonsopgang moesten de jongens al verschijnen en de hele dag moesten ze stenen sjouwen. Hierbij mochten zij geen klompen of schoenen dragen, dus op blote voeten of alleen lichte slofjes aan. Zij kwamen niet alleen uit Ried maar ook uit Franeker, waar zij 's morgens vroeg lopend vandaan kwamen. Nadat in 1874 de wet op kinderarbeid van kracht werd en vervolgens in 1889 de Arbeidswet, moesten de werktijden voor met name vrouwen en jongeren beperkt worden en deze groepen kregen ook op zondag vrij. Dit betekende dat de loonkosten omhoog gingen en de druk tot mechanisatie toenam.
Het tichelwurk was eenvoudig van opzet met veel handwerk.  Het werk was zwaar, zo moest de klei met de schop uitgraven worden, met de kruiwagen de praam ingebracht en er bij het tichelwurk weer worden uitgeladen. Arbeiders maakten vaak lange dagen en werden slecht  betaald.

Na aankomst van de klei kwam deze eerst in een verdiept gelegen bak waar er  kalk en water werd  toegevoegd waarna het geheel tot een verwerkbare massa werd gekneed. Het mengen gebeurde door een paard die het mengwiel aandreef. Hierna werden de stenen volledig handmatig gevormd op verplaatsbare vormtafels in de open lucht. Op het Riedster tichelwurk waren twee vaste vormers in dienst. De stenen werden gevormd door een homp klei in de steenvorm te drukken en deze vervolgens af te strijken, waarna de stenen in de buitenlucht te drogen werden gelegd om het water eruit te verdampen. Zouden zij meteen gebakken worden, clan zou de snelle volumetoename van de waterdamp de stenen doen ontploffen.
Op deze foto uit 1897 staat geheel rechts Jetze Plantinga schipperszoon uit Franeker. Hij kwam als elfjarige bij het bedrijf werken en was 15 jaar toen de foto werd gemaakt. Knielend op de voorgrond bij de grote hompen te verwerken klei zit G. Hoekstra, die later een slagerij in de Kerkstraat in Franeker had. De stenen liggen achter hen in rijen te drogen.
Stichting Oud Ried.