Herman Souer en het Friese dorp Ried.

Een verbondenheid voor het leven

De situatie in Rijwijk die ontstaan was door de bezetting, verslechterde in 1942 dusdanig dat er door de hervormde kerk actie werd ondernomen om kinderen uit te zenden naar het Noorden van ons land om aan te sterken. De uitzending verliep via predikant Van der Veen uit Tzummarum. Deze uitzending was blijkbaar succesvol geweest, dus werd er in 1943 een nieuw tocht georganiseerd.

De “vakantie”van 1943

Er was grote belangstelling voor de tocht, wel 100 kinderen waren aangemeld. Hoe de selectie precies verliep is niet duidelijk, maar zeker is wel dat er een medische keuring aan vooraf ging. De zestienjarige Herman Souer was blijkbaar opgegeven, want op 24 juni 1943 viel er bij de familie Souer een briefkaart op de mat waarin “het comité”meldde dat Herman uitgezonden zou worden. Hij kreeg de kans om vier weken op krachten te komen in de hervormde pastorie in het Friese Ried. Maar dat ging niet zomaar. Voor het vertrek op 22 juli moest er nog van alles in orde gebracht en geregeld worden. Er was een velletje vol met richtlijnen. Grote nadruk werd gelegd op het meebrengen van (geldige) distributiebonnen, met de bijbehorende stamkaart. Niet aanwezig betekende thuisblijven, bonnen waren van levensbelang! De groep kinderen ging op 22 juli al in de ochtend op weg naar het Noorden. Alle kinderen, behalve Herman, die later op de dag in zijn eentje de reis moest aanvaarden, vanwege de afronding van het laatste deel van zijn toelatingsexamen voor de MTS in Den Haag. Hij ging met de elektrische trein vanuit Voorburg, waarna hij vanaf Utrecht met stoomtreinen naar Franeker reisde. Toen Herman in de avond, na ruim zeven reisuren, in Franeker aankwam, stond daar een paard-en-wagen van een boer op hem te wachten. De kar was volgeladen met jongelui uit het dorp. Dat gaf meteen al een gevoel van welkom. Na een kilometer of zes was het eindpunt bereikt. Daar wachtte bij de pastorie dominee Postma op hem. Dit was een betrekkelijk jonge, vrijgezelle man. Hij rookte graag een pijp en daarom had hij in de zeer grote pastorietuin een hoek met eigen teelt tabaksplanten. Het was een gezellig, rustige man en een echte tuinliefhebber. Herman kreeg een eigen zolderkamertje boven de vooringang van het huis dat midden in het dorp, tegenover de hervormde kerk gelegen was. Voor de huishouding was er een externe hulp uit het dorp. Het was dus een plezierige plek om te zijn en het verblijf van vier weken voelde dan ook als een spannende prettige vakantie. De eerste keer dat Herman aanschoof voor de broodmaaltijd dacht hij dat het goed was om de ogen te sluiten en de handen te vouwen voor een kort gebed, maar de dominee maakte hem meteen al duidelijk dat er alleen hoefde te worden gebeden voor de warme maaltijd. Hij liet Herman geheel vrij om zijn eigen gang te gaan, maar soms gingen ze wel fietstochtjes maken en samen in de tuin werken. Hij had veel contact met zijn leeftijdsgenoten in het dorp en ging ook vaak met hen op de fiets erop uit om bezoeken aan familie in de provincie te brengen of aan Franeker (planetarium), Leeuwarden enzovoort. Hij leerde de beginselen van het kaatsen en kocht bij de erkende maker van kaatsballen, schoenmaker Rijpma, achter de kerk, een kaatsbal als aandenken. Die is tot op de dag van vandaag nog steeds een gekoesterd kleinood.

De oorlog leek heel ver weg. Bij één facet van het dagelijks leven was hij echter wel duidelijk aanwezig en dat was in de aanduiding van de tijd. Op 15 mei 1940 was de Duitse zomertijd ingevoerd en daarbij kwam in plaats van de bestaande Amsterdamse tijd de “Berlijnse tijd”, hetgeen inhield dat de klok 40 minuten vooruitging. In Friesland waren er in de zomer van 1943 toen Herman er was, drie tijden. Ten eerste de gangbare tijd van 1 uur en 40 minuten vooruit, te weten; 1 uur zomertijd + de Berlijnse 40 minuten. Bij de boeren en plattelandsbewoners was het 1 uur vroeger op hun klokken in huis en op hun horloges. Zij hielden wel de 40 minuten aan, maar niet het uur. Tenslotte wees de kerkklok in het naburige Zweins nog de oude Amsterdamse tijd aan, dus 1 uur en 40 minuten vroegen. Bij afspraken of Duitse bevelen om ’s avonds op tijd binnen te zijn, was het dus in de zomers van 1943 en 1944 altijd noodzakelijk om goed af te spreken welke tijd men aan moest houden.

Toen de “vakantie”ten einde liep, werd Herman door de familie van postbode Algra die in het huis vlak bij de pastorie woonde, uitgenodigd om in 1944 in de vakantie weer terug te komen en bij hen te wonen. Dat was fijn, omdat er jongens van zijn leeftijd waren, zoals Halbe en Evert en de iets jonger Taeke. Er was ook een jonger zusje, Wiepke genaamd. Bovendien waren de mensen in het dorp zo vriendelijk om bepaalde distributiebonnen naar Rijswijk op te sturen. Die bonnen waren een verhaal op zich. Er waren kennelijk aparte bonnen voor stad en land. Rijwijk behoorde tot het stadsgebied; Ried en ommelanden behoorden tot het landgebied. Na het verblijf in Ried stuurde men dus de zogenaamde landbonnen voor aardappelen op naar de familie Souer in Rijwijk. Herman ging dan met zijn jongere broer Jan op de fiets naar Zoetermeer, dat als landgebied was aangemerkt, om 10 of 20 kilo aardappelen te halen. Op de terugweg moest er erg opgelet worden voor de beruchte voedselcontroleurs die over het algemeen als “inpikkers”bekend stonden. Van tegemoetkomers kreeg je eventueel een waarschuwing om de thuisroute aan te passen.

 

De “onderduik”van 1944/45

De tijd in Ried in 1944 bij de familie Algra verliep heel plezierig. Na terugkeer in augustus hielden ze contact met elkaar en de aardappelbonnen bleven komen. Toen werd het oktober 1944. Herman werd 18 jaar en kreeg op 16 september bericht dat hij zich moest melden voor de Arbeidsdienst. (Arbeidsdienst = Arbeitseinsatz,was de benaming voor de vaak gedwongen inschakeling in de Duitse oorlogseconomie van arbeiders uit de bezette gebieden tijdens de Tweede Wereldoorlog) De familie Algra bood uitkomst. Ze schreef “Kom maar weer naar Ried”. Dus ging Herman op 22 oktober op de fiets, begeleid door zijn vader, op weg naar Friesland. Eerst naar Amsterdam en vandaar met de nachtboot naar Lemmer. Vervolgens weer per fiets naar Ried. Vader bleef een nachtje en ging daarna weer terug. Hoewel hij zijn verblijf als een soort vakantie mocht beschouwen, was er natuurlijk sprake van “onderduiken”. Hij hoefde vooralsnog geldelijk niets bij te dragen en niets te doen. Toch hielp hij wel met het aardappelschillen, het maken van aardappelmeel en andere karweitjes. Intussen kwamen er uit Rijswijk verontrustende berichten over kou en schaarste. Dus de familie Algra vond dat ook Hermans moeder en broer Jan maar moesten komen. Zoals iedereen, dacht men in Friesland ook dat de oorlog toch bijna voorbij was. Op 13 januari 1945 kwamen Moeder en de veertienjarige Jan aan. Ze werden met open armen ontvangen. Moeder besloot eind februari, tegen het advies van de familie Algra in, terug te gaan naar Rijwijk, nog juist voordat de Afsluitdijk zou worden afgesloten. Daar ging ze dus op Hermans fiets met etenswaren, onderweg bij boeren slapend. Zaterdag 3 maart kwam ze in Rijswijk aan ten tijde van het bombardement op het Bezuidenhout. Thuisgekomen, was ze er getuige van dat haar man, die intussen bij een andere vrouw verbleef, bezig was spullen uit het huis weg te halen. Alleen bleef zij achter. Herman en zijn broer Jan hadden het wel naar hun zin in Ried. De jongens Halbe, Evert en Herman konden opgepakt worden, maar toch waren ze erg vrij als ze maar in de buurt van het dorp bleven. Ondertussen had Herman een aantal baantjes, zoals helpen in de Centrale Keuken en bij de aardappel- en uienteler M.C.Meijer op het land werken. Hij vond het prettig om daarmee ook een geldelijke bijdrage te kunnen leveren aan het huishouden. Niemand had kunnen voorzien dat de oorlog zo lang zou duren. Alles verliep prima, totdat hij rond half maart, na een ochtend werken, thuis kwam en vrouw Algra alleen trof. Zij was in huis degene die de regie stevig in handen had. Dat moest ook wel met zoveel verschillende mensen zoveel maanden achtereen. Ze zei dat ze een appeltje met Herman te schillen had. Hij grapte nog; “Als het maar een zoet appeltje is”. Nou, zo zoet bleek het niet te zijn. Zij vertelde hem dat ze gehoord had dat hij het bij hen en bij haar niet naar zijn zin had. Hermans reactie was er één van verbazing. Het enig wat hij tegen iemand in het dorp had gezegd was dat hij het wel goed had, maar het allemaal niet zo leuk meer vond, omdat hij wel graag weer naar huis wilde. Dit temeer wegens de omstandigheden waarin Hermans en Jans moeder moest verkeren: alleen en nauwelijks iets te eten. Vrouw Algra trok de conclusie dat Herman vond dat zij niet goed genoeg waren en zei hem dat hij en zijn broer maar zo gauw het kon na de oorlog, moesten vertrekken. De stemming in huize Algra zakte natuurlijk een aantal graden. Daarbij kwam nog dat zoon Halbe zich bij het verzet had aangesloten en dus daarmee ook voor spanning zorgde. Het duurde allemaal ook wel erg lang.

Tweede deel:

Wel “bevrijd”, maar toch gevangen.

Op 15 april 1945 werd Ried eindelijk bevrijd. Vrouw Algra gaf Herman de opdracht om met de fiets van zoon Evert naar het kamp van de Canadezen te gaan aan de Rijksstraatweg. Daar moest hij manchetknopen van geldstukken ruilen voor sigaretten. Geen enkele Canadees was bereid de ruil aan te gaan. Dus zonder sigaretten weer terug. Op een gegeven moment werkten de radio’s weer. En zo raakte men op de hoogte van de voedseldroppings in het westen en uiteindelijk van de bevrijding. Op 16 mei vond vrouw Algra dat Herman en Jan nu maar weg moesten gaan. En dus gingen deze op 17 mei te voet de zes kilometer naar de Rijksstraatweg om te proberen naar Leeuwarden te liften. Plotseling hield er een personenlegerauto stil met een Nederlandse, uit Den Haag afkomstige, luitenant erin. Ze vroegen of ze mee mochten, omdat ze naar Den Haag moesten. Ze mochten wel mee naar Leeuwarden, maar verder zou de tocht niet gaan, want er was nog geen transport naar het Wasten, dus ook niet naar Den Haag en bovendien werd er toch geen toestemming gegeven om Friesland te verlaten. Dus op 17 mei strandden ze in Leeuwarden. Gelukkig vonden ze onderdak bij oom Johannes Post (van nicht Mies Post in Den Haag) in Huizum. Ze konden echter maar één nacht blijven, daarna moesten ze maar verder zien. Een nacht vol tobberij volgde. Herman bedacht al wakker liggend dat het morgen, vrijdag 18 mei, traditiegetrouwd veemarkt zou zijn in Leeuwarden. Veehandelaar C.R.Meijer, waar hij en zijn broer zo vaak met de vijf zonen waren omgegaan, zou daar waarschijnlijk ook wel zijn. Misschien wist die wel een oplossing. Zo togen ze daarheen. Ze waren van plan om in de cafés te kijken. Bij het eerste café hadden ze meteen al succes. Daar werden de zaken onder het genoeg van consumpties afgerond. Meijer was zeer verbaasd hen te zien. Ze zouden immers naar Rijswijk gaan ? Na hun verhaal aangehoord te hebben, had hij niet veel tijd nodig om een besluit te nemen. “Greate Kees, zoals hij in het dorp heette, nam Herman en Jan mee terug naar Ried. Daar aangekomen, deelde hij zijn vrouw mee; “Griet, hier zijn er twee; die blijven hier voorlopig; we zoeken wel een slaapplaats hier of daar en we zien wel”. Het werd vol bij de Meijers, want naast de zonen waren er ook al twee andere jongens als gasten! De familie wilde geen geld hebben, want gasten betaalden niets. De relatie met de familie Algra bleef als voor dit avontuur.

De terugtocht

Het leven ging dus weer als voor hun vertrek, totdat er eind mei een brief kwam van Moeder. Daarin stond dat Herman zich zo spoedig mogelijk bij de MTS in Den Haag moest vervoegen, omdat hij anders niet meer naar school mocht. Goede raad was duur, omdat het nog steeds niet toegestaan was om naar het Westen te reizen. Dan maar naar de burgemeester van Franekeradeel om op 9 juli 1945 een paspoort met uitreisvergunning zien te krijgen voor broer Jan en hemzelf. Dat lukt. Dus nu werd eind juni definitief afscheid genomen van Ried. Weer op weg naar Leeuwarden. Weer een nacht logeren bij de familie Post. Er was intussen bekend dat men geregeld had dat vanuit Leeuwarden kosteloos provisorisch ingerichte vrachtauto’s met houten banken naar het Westen zouden rijden. De passagiers moesten op een bepaalde tijd aanwezig zijn om ook mee te kunnen, maar de auto reed pas in de avond. Zodoende zwierven de broers door Leeuwarden samen met het Haags joodse meisje Joke van Praag, dat in Friesland ondergedoken had gezeten. Er was zelfs tijd om als afleiding met zijn drieën naar de bioscoop te gaan. Eindelijk werd het avond. Ze meldden zich aan voor vertrek, de auto stroomde vol (de achterkant bleef open) en zo ging het richting Amsterdam. Daar was weer een verzamelpunt waarvandaan auto’s via Den Haag naar Rotterdam gingen. Gelukkig was de chauffeur bereid om na de Haagse stop op weg naar Rotterdam een extra stop te maken en de twee broers ver na middernacht op de Haagweg bij de Lindelaan in Rijswijk af te zetten. Ze belden zondagmorgen 1 juli om half drie aan bij hun moeder op de Kerklaan die helemaal niet verbaasd was en zei dat ze han al verwacht had. Herman schreef een brief aan de familie Meijer en daarna leek het leven weer enigszins in een normaal vaarwater te komen. Het was natuurlijk erg jammer dat het bij de familie Algra vervelend was afgelopen, maar over het algemeen was het verblijf in Friesland toch goed geweest.

De wrange afloop

Helaas kreeg de zaak rond de familie Algra, geheel buiten de schuld van de familie Souer, nog een vervelend staartje. Moeder Souer was in een echtscheidingsprocedure verwikkeld. Zij had een Delftse advocaat, die een goede naam had. Hij wilde Moeder wel helpen, maar dan moest ze wel haar fiets aan hem afstaan, omdat er nog geen vervoer was. Moeder had hem uiteraard de familiegeschiedenis verteld. Man weg, zoons in Friesland. Eerst bij de familie Algra, waar Herman later tijdens het verblijf bijgedragen had aan de huishoudpot en daarna bij veehandelaar Meijer en zijn vrouw. De advocaat was boos, omdat de familie Algra geld had aangenomen; dat hadden ze nooit mogen doen. Als ze dan toch geld nodig hadden gehad dan hadden ze maar bij de kerk moeten aankloppen voor een bijdrage. In de zomer van 1945 bestond hij het om tegen alle regels en wensen van de overdonderde mevrouw Souer naar de Algra’s een brief te sturen over de teruggave van het geld. De familie schrok natuurlijk heel erg en nam ook een advocaat in de arm die een verweer terugstuurde. Zo kwamen zij met al hun goedheid en gastvrijheid dus te pas. Dit alles duurde een poosje en het gewone leven nam weer zijn gang. De familie Algra werd helaas niet meer benaderd. Wel was Rintje Meijer met partner Sijke nog op 29 en 30 augustus 1945 op de Kerklaan te gas op hun rondreis door Holland. In 1946 ging ook het contact met de familie Meijer verloren. Het schaamtevolle gevoel ontstond dat het hele dorp het wel zou weten en dat er negatief zou worden geoordeeld.

De afsluiting

En de jaren glijden voorbij. Soms doet Herman op doortocht met zijn gezin Ried aan, maar alleen om er zijn geheugen over het dorp nog wat bij te spijkeren en te laten zien waar hij zoal verbleef. Dan komt in 2008 het verzoek om zijn oorlogservaringen in Ried voor het Jaarboek van de Historische Vereniging Rijswijk op papier te zetten. Er ontstaat opnieuw een ongemakkelijk gevoel over de Ried-affaire. Via GPTV komt hij, 65 jaar na dato, tot de ontdekking dat er een boek over Ried is verschenen. Na tien jaar arbeid werd het fotoboek “Rie sa’t it wie” op 10 juli 2008 gepresenteerd bij het beging van een 5-daags feest in Ried en op 11 juli via de kabel vertoond. Herman sprong op! Samen met vrouw Miep, gaat hij op 12 juli naar Ried om het boek aan te schaffen, hij wil trachten hier nog mensen te treffen van 1943 en 1944/45. Ze ontmoeten en praten met een kleinzoon van Greate Kees (Cees Meijer). Deze vertelt hun dat er van de mensen die Herman gekend heeft vrijwel niemand meer in leven is, ook Halbe en Evert niet, helaas. Alleen oom Haaije Meijer, één van de vijf zonen van Greate Kees woont nog in het dorp. Deze komt na telefonisch overleg met de eerder genoemde kleinzoon naar het gebouw en zijn openingszin na wederzien en begroeting luidt; “Ik wil weten waarom je er nu pas bent”. Herman doet het hele verhaal en in plaats van afwijzing of minachting ontmoet hij alleen maar begrip. Haaije zegt “Ik begrijp dat je door schaamte – aangericht door die advocaat – niet meer bent gekomen”. Hij moet toegeven dat ook zij het contact niet onderhouden hebben en dat het daardoor geleken heeft dat de hele dorpsgemeenschap het wist en afkeurde. Het heeft lang geduurd voordat Herman de hele geschiedenis, zij het aan slechts één zoon Meijer als bijna enige vertegenwoordiger van alle inmiddels overleden vrienden en verwanten als postuum eerbetoon heeft kunnen vertellen. Maar nu is de cirkel dan eindelijk rond.

 

HOME